Toen we op deze plek kwamen wonen, bestond een groot deel van het terrein uit twee kale grasweides. Aan de noordkant lag de noordelijke wei. Het lange stuk aan de zuidkant noemen we nog altijd ‘de punt’. Samen zijn ze ongeveer twee hectare groot.
De grond werd jarenlang gemaaid en gehooid. Toen dat niet meer nodig was, vroegen we ons af wat we er wél mee wilden. We misten beschutting en kleur, maar vooral een landschap waar iets te ontdekken viel. Een plek waar vogels voedsel konden vinden, insecten konden schuilen en wij zelf graag doorheen zouden lopen.
Een paar lijnen op papier werden een plan voor duizenden bomen en struiken, brede houtsingels, twee poelen en een grote heemtuin met een slingerend wandelpad.

Van een schets aan tafel naar een landschapsplan
We tekenden eerst zelf hoe het terrein er ongeveer uit kon gaan zien. Een veld vol bomen was niet het doel. We wilden juist verschil: een dichte rand naast een open stuk, een losse boomgroep en verderop ruimte voor bloemen en kruiden. Water hoorde daar ook bij.
Daarna dacht Arjen Stoop van Brabants Landschap met ons mee. Hij hielp bij de keuze voor voornamelijk inheemse soorten en vertaalde onze ideeën naar een landschapsplan dat ecologisch klopte. Breedtes, plantafstanden en combinaties van soorten werden daarin concreet.


Een zetje in de rug van de Stimuleringsregeling Landschap
Het project werd haalbaarder dankzij de Stimuleringsregeling Landschap. De provincie Noord-Brabant voert deze regeling uit met deelnemende gemeenten, waaronder Breda. Zolang er budget beschikbaar is, kunnen grondeigenaren onder voorwaarden een bijdrage krijgen voor de aanleg en het beheer van landschapselementen.
In ons geval werd het plantgoed vergoed en was er een bijdrage voor zes jaar onderhoud. De rest betaalden en organiseerden we zelf. Denk aan het planten, de inzet van machines, het uitgraven van de poelen en de beregening. We spraken ook af dat we het definitieve landschapsplan zouden volgen. De subsidie was immers gebaseerd op de afmetingen, plantafstanden en soorten in dat plan.
Meer dan drieduizend bomen en struiken
De eerste levering telde precies 3.154 stuks plantgoed. In de jaren erna vervingen we uitgevallen planten en voegden we op enkele plekken nieuwe aanplant toe. Daardoor ligt het totaal nu ergens tussen de 3.500 en 4.000 bomen en struiken.
De eerste levering bestond uit deze soorten:
- 550 haagbeuken (Carpinus betulus)
- 365 zomereiken (Quercus robur)
- 335 winterlindes (Tilia cordata)
- 275 veldesdoorns (Acer campestre)
- 250 hazelaars (Corylus avellana)
- 200 berken (Betula sp.)
- 175 vuilbomen (Rhamnus frangula)
- 150 zwarte elzen (Alnus glutinosa)
- 146 vogelkersen (Prunus padus)
- 133 lijsterbessen (Sorbus aucuparia)
- 125 Gelderse rozen (Viburnum opulus)
- 100 ligusters (Ligustrum vulgare)
- 80 hulsten (Ilex aquifolium)
- 75 hondsrozen (Rosa canina)
- 75 rode kornoeljes (Cornus sanguinea)
- 50 tamme kastanjes (Castanea sativa)
- 25 zoete kersen (Prunus avium)
- 23 krentenboompjes (Amelanchier lamarckii)
- 12 mispels (Mespilus germanica)
- 10 gele kornoeljes (Cornus mas)

De voorbereiding bleek al een project op zichzelf
Voor het planten kon beginnen, liet een loonwerker brede stroken langs de perceelranden en bijna de hele zuidelijke punt frezen. Daarmee verdween de dichte grasmat. De jonge aanplant kreeg zo in het eerste groeiseizoen minder concurrentie.
Graafmachines maakten de poelen en brachten op delen van het terrein reliëf aan. Kleine hoogteverschillen zorgen voor natte en droge plekken. Dat levert meer variatie op dan een volledig vlak veld.
Daarna moesten de plantgaten nog worden voorbereid. We hadden de vakken vooraf uitgerekend en uitgezet, waarna we met een grondboor een paar duizend gaten maakten. Een paar gaten boren is een aardige klus. Na de eerste paar honderd kijk je daar anders naar.

De loods als tijdelijke plantcentrale
Toen het wortelgoed arriveerde, lag de loods vol bundels. Alles werd per soort en plantvak gesorteerd. We hingen foto’s van de soorten op en legden een grote kaart klaar, zodat tijdens de plantdagen niet iedere kruiwagen opnieuw hoefde te worden uitgezocht.
Vanuit de loods vertrokken steeds nieuwe ladingen naar buiten. Op iedere kruiwagen lagen precies de soorten die in dat deel van het plan thuishoorden. Althans, dat was de bedoeling. Met zoveel mensen en stapels plantgoed ging er natuurlijk ook weleens iemand terug om te vragen waar een vak nu precies begon.


Planten met familie en vrienden
Voor de aanleg organiseerden we twee grote plantdagen. Met de voorbereiding erbij waren we drie dagen intensief bezig. Familie, vrienden en kennissen hielpen mee. De jongste kinderen liepen net zo goed met een schep of gieter rond als de volwassenen.
Het planten zelf was overzichtelijk. De logistiek was lastiger. Welke ploeg ging naar welk vak? Stonden de juiste soorten op de kruiwagen? En las iedereen de kaart op dezelfde manier? Toch was juist die gezamenlijke drukte een van de mooiste delen van het project. Aan het einde van een dag stonden er honderden boompjes op grond die die ochtend nog leeg was.


Houtsingels, poelen en een heemtuin
Het terrein moest geen strak park worden. Langs de randen liggen nu brede houtsingels. Elders staan bomen en struiken losser bij elkaar. Open stukken mogen verruigen en bloeien. Op de zuidelijke punt zorgen de twee poelen voor weer andere omstandigheden.
Een groot deel van de noordelijke wei zijn we gaandeweg de heemtuin gaan noemen. Tussen de jonge aanplant, grassen en kruiden maaien we een kronkelend wandelpad. Je loopt er langs boomgroepen en een bijenkast, waarna het zicht op een volgende open plek valt. Het pad bestaat alleen doordat we het maaien. Er ligt geen grind of bestrating.


De poelen kregen snel bezoek
De twee poelen op de zuidelijke punt maakten vanaf het begin deel uit van het plan. Naast bomen wilden we ook natte plekken maken waar ander leven op afkomt. Zodra er water in de eerste poel stond, kwamen vogels drinken en badderen. Insecten en amfibieën kunnen eveneens van zulke plekken profiteren.
Onze zandgrond maakt het wel lastig om water vast te houden. We willen daarom onderzoeken of een leemlaag ervoor kan zorgen dat de poelen ook tijdens droge perioden langer gevuld blijven.

Planten was makkelijker dan alles in leven houden
De eerste twee groeiseizoenen waren uitzonderlijk droog. Jonge planten hebben een klein wortelstelsel en bereiken het water dieper in de bodem nog niet. In de eerste zomer viel naar schatting ongeveer twintig procent van het plantgoed uit.
We plantten opnieuw en breidden de beregening ieder droog seizoen verder uit. Slangen liepen steeds verder over het terrein en sproeiers verhuisden volgens een vast rondje van vak naar vak. Dat vergde nogal wat planning, omdat de noordelijke en zuidelijke aanplant honderd tot honderdvijftig meter uit elkaar liggen.
We wilden niet dagelijks een klein beetje water geven. De planten moesten worden geholpen tijdens de droogste momenten, maar ook worden gestimuleerd om dieper te wortelen. Achteraf zouden we een project van deze omvang meer faseren. Eerst één deel goed laten aanslaan en pas daarna het volgende, in plaats van op twee uiteinden tegelijk duizenden jonge planten door een droge zomer te helpen.

Van bruine stokjes naar bomen van drie meter
Inmiddels zijn sommige bomen ruim drie meter hoog. Vooral de berken hielden zich goed tijdens de droge perioden. Andere planten verrassen op een andere manier. Een vlier die als een klein bruin stokje de grond in ging, is nu een struik met een doorsnede van ongeveer drie meter.
De houtsingels worden ieder jaar dichter en het wandelpad voelt steeds meer alsof het ergens doorheen loopt. Toch is het terrein niet af. Grotere bomen zullen elkaar op den duur in de weg staan. Dan moeten we uitdunnen en bijsturen. Dat hoort erbij. We wilden geen eindbeeld neerzetten, maar een landschap dat zelf verder kon groeien.
